Foto: Caroline

Geef mij maar Amsterdam

Column Caroline van Kappel

Met mijn favoriete tante (tachtig) maakte ik een lange wandeling in de Doornse bossen. Ze woont er al vijftig jaar en kent elke boom persoonlijk. Voor mij heel prettig want ik verdwaal overal, mét of zonder bos. We bespraken familieaangelegenheden, want dat is wat ons onderling verbindt.


Mijn opa was haar vader, mijn vader was haar broer en ik hoor -bij vlagen- graag de verhalen over mijn Amsterdamse wortels. Opa was geboren en getogen in de Jordaan; Eerste Leliedwarsstraat.


Hij begon zijn bedrijf met een handkar die hij beladen met kant, band en garen over de grachten en door de straten duwde. Opa heette Willem en oma heette Willemien. De zaken gingen goed en door een list lukte het opa om "kantoor aan huis" te openen in de Trompstraat onder de naam: Mode-industrie W. van Kappel, met een groot magazijn in het souterrain voor de enorme rollen kant, band en garen, waarvan mijn moeder stukken af knipte om haarbanden van te maken.

'Opa was geboren en getogen in de Jordaan; Eerste Leliedwarsstraat.'

Ik had drie verschillende haarbanden bij elke jurk. De list: Om zijn acht kinderen en vrouw te kunnen onderhouden, werkte opa ook als portier in het Apollohotel. Compleet met roodzwart apenpakje en pet. Om een Duitse opdrachtgever binnen te halen, sprak opa met hem af in zijn middagpauze in een lege hotelkamer. Voor de gelegenheid had hij een driedelig maatpak gehuurd waarin hij de Duitser ontving. Zo sleepte hij zijn eerste grote opdracht binnen. Vanaf dat moment ging het -tot de oorlog uitbrak- steeds beter.

Tijdens de hongerwinter, liep mijn vader elke dag met hetzelfde vriendje van en naar school. Het vriendje had het nooit koud omdat zijn vader een bontwinkel had en dat was warmer dan kant, band en garen. Vijfentwintig jaar later was hij als pater op een Jezuïetencollege, mijn leraar Frans ... Ik deed mijn mondeling examen in de keuken van het patershuis naast de school, terwijl pater Tromp (die Duits gaf) de afwas deed. Maar dat terzijde.


Na de oorlog zette opa het bedrijf succesvol voort tot begin jaren zestig. Eind jaren zeventig werd het grote huis te veel werk voor oma, bovendien vond ze "Amsterdam niet meer wat het geweest was met al die buitenlanders in de tram".

Vlak vóór ze verhuisden naar Voorhout (ZH) ging ik nog één keer op bezoek in Amsterdam. Bij opa biggelden de tranen onophoudelijk over zijn wangen. Toen ze eenmaal in Voorhout woonden, kon opa maar niet wennen aan de nieuwe flat: "Het is hier veel te mooi voor mij". Hij stierf gezond van lijf en leden drie maanden na de verhuizing.

Meer berichten